Blog

Metaforen en hun betekenis bij de studie van de oude geschriften

3 DECEMBER 2017

Zonder dat we het ons vaak bewust zijn, wordt het beeld dat wij hebben van onszelf en van de wereld waarin wij leven, bepaald door metaforen. Wat zijn metaforen? Een metafoor is een beeldspraak waarbij je iets dat je nog niet kent vergelijkt met iets dat wel kent, terwijl het lijkt de twee dingen die je met elkaar vergelijkt op zich niet met elkaar te maken hebben. Voorbeelden zijn: ‘ik sta op instorten’, ‘hij is een rijzende ster’, ‘ik ben weer helemaal opgeladen’ en ‘we gaan er weer tegenaan’. Onze taal zit vol metaforen en zij gaan niet over de taalkundige betekenis, maar verwijzen naar een emotioneel krachtveld.

Als wij willen doordringen in de oude geschriften, dan moeten wij ons realiseren dat de teksten veelal metaforen zijn. De letterlijke betekenis is niet waar het om gaat, maar de verwijzing naar het emotionele krachtveld is van het grootste belang.

De Indiase Upanishads zijn zeer oud, maar vertolken een wijsheid die zeldzaam diep is en ik beschouw deze werken nog steeds als uniek als het gaat om de mens ‘voorbij de fenomenen te voeren’. Het is echter een gegeven dat de meeste mensen veel moeite hebben om door te kunnen dringen in de wonderlijke wereld van de Upanishads en dat is niet verwonderlijk, omdat Upanishads niet goed zijn te begrijpen. We moeten ons realiseren dat het metaforen zijn, d.w.z. de woorden zelf zijn niet hetgeen waar het om gaat. Bovendien zijn Upanishads ‘antwoordenboeken’, en wij, als onderzoekers, moeten de vragen zien te vinden waar de Upanishads de antwoorden op zijn.

Om door te kunnen dringen in de wereld van de Upanishads moeten  we ook leren hoe meditatie werkt. DE vorm die bij deze studie hoort staat bekent als vidya. Vidya betekent ‘kennis’, maar in zijn bijbetekenis betekent het ook meditatie. De meditatie vorm is dat je ‘rust’ op de woorden (wederom een metafoor !). je draagt de woorden als het ware in stilte met je mee en blijft erop rusten zoals een bootje drijft op het water. Tijdens dit ‘dobberen’ ontstaat er en verbinding tussen de wereld die wij dagelijks waarnemen en waarin wij functioneren, en de wereld die diep in ons zelf leeft. Hoe langer wij blijven ‘dobberen’  op de woorden, hoe dieper wij kunnen doordringen en verbinding kunnen maken met de betekenis die ‘achter de woorden ligt’.

Nu even zelf proberen? Hier is een voorbeeld uit het werk van swami Brahmananda The Supreme Knowledge. Zijn kennis van de vidya vormen van meditatie is werkelijk ongekend.

Hridaya Vidya (Meditatie op het hart)

In deze vidya, die opgenomen is in de Brihadaranyaka Upanishad (hoofdstuk 5, sectie 3), is het hart (hridaya) het symbool voor meditatie. In de hier voorafgaande sectie, sectie 2 van hoofdstuk 5 van de Upanishad, wordt gezegd dat Prajapati, de God van alle schepselen, ook wel Brahma of Hiranyagarbha genoemd, zijn nageslacht onderricht, de goden, de mensen en de demonen die naar hem toekomen op zoek naar onderwijs. Tegen allen zegt de vader dezelfde lettergreep, da, hetgeen voor de goden dama (zelfbeheersing) betekent, dana (vrijgevigheid) voor de mensen; en daya (compassie, mededogen) voor de demonen. De goden of hemelbewoners zijn teveel verdiept in het verlangen naar geluk van de zintuigen, en om deze reden krijgen ze de opdracht om zelfbeheersing te beoefenen. De mensen zijn van nature hebzuchtig, gulzig en gierig en daarom wordt hen geadviseerd om mild te zijn en zo veel mogelijk vrijgevigheid te beoefenen. En de demonen, die kwaad en wreed zijn en geneigd tot het verwonden en lastig vallen van anderen, wordt geleerd om vriendelijk en sympathiek voor anderen te zijn. Acharya Sankara geeft in zijn commentaar op deze sectie de verborgen betekenis en zegt dat er geen goden en demonen bestaan anders dan de mens. Alle drie karakteristieken van goden, mensen en demonen worden gezien in de mens, en alle drie stukjes advies zijn bedoeld voor de mensen. Mensen worden gezien als begerig, gulzig en wreed. Zoals de Bhagavad Gita zegt: lust of zintuiglijke verlangens, gulzigheid en kwaadheid zijn de drie poorten naar de hel (XVI-21). Alle drie moeten worden vermeden.

Op zich lijkt deze tekst te ‘begrijpen’, maar als we daar nu bij blijven steken, missen we de boodschap. De titel wijst namelijk naar iets anders: Hridaya. Hri verwijst naar ‘trekken’, ‘aantrekken’ of ‘geven’. Da verwijst naar ‘geven’. En ya verwijst naar ‘de hemel gaan’ of beter gezegd ‘naar de overzijde gegaan’.

Juist in de dagen voor Kerst is niet onverstandig om het woordje da mee te dragen, hetgeen verwijst ‘geven’. Wat geven wij eigenlijk? Weet, om met de Bhagavad Gita te spreken, dat geven een kunst is: we moeten het juiste geven op de juiste tijd, op de juiste plek, in de juiste mate en aan de juiste persoon. Een mooie oefening in deze Kerstdagen. Succes !

 

 

 

 


Auteur: Mehdi Jiwa

<< terug naar blog overzicht